| Inleiding
door Hendrik Braem Een bedrukte offsetplaat
uit één blad aluminium vond zijn weg doorheen
het Hat Art Evenement naar deze tentoonstelling
van Geo De Bruycker.
En die speelt zich af
tussen deze Hoge Priesterlijke Hoed en dit Hoedje
van Papier, tussen het zinnebeeld voor het volle
gewicht van de macht van schrifttekens, gefixeerd
in rituelen, tot de speelse ontmythologiserende
kracht van de poëtische verbeelding.
Het was dit hoedje,
Geos hoedje dat mij eerst trof, niet dat ik
hem hiermee op een stokpaardje en het zwaard van
Tuizentfloot, meteen, aha, ten strijde
zie trekken, het woestijnzand in,
om laag na laag als bij een ui,
verzonken verhalen op te diepen,
ten einde als glorieus paleograaf het doek
met olieverf te lijf te gaan.
.
Verhalen waarbij
ongeletterden gebukt gaan onder de magie van een
dwingende tekst tot verhalen van geletterden die
zoeken naar de mythe achter een onleesbare
schriftuur.
.
Zo is er het
verhaal van de vondst in het zand aan de
oostelijke zijde van de Dode Zee in Dhiban,
waar een Arabische gids aan een zendeling uit de
Elzas, Klein genaamd,
een zwarte basalten steen toonde van ongeveer
1,20 hoog en half zo breed.
Er stond een tekst op die nog niemand had kunnen
ontcijferen, werd Klein verzekerd.
Hij begreep
ogenblikkelijk dat het hier om een belangrijke
vondst ging, maar hij had de pech dat het juist
bijna zonsondergang was.
En de zon gaat in die streken veel sneller onder
dan in onze contreien.
Dus had hij nog wat tekens kunnen natekenen om
later uit te zoeken, toen zijn gids hem duidelijk
maakte dat zij nu echt moesten vertrekken en hij
de steen moest achterlaten.
Eenmaal terug in
Jeruzalem, waarschuwde Klein de Pruisische
consul.
Deze toonde belangstelling, maar ook Engelsen en
Fransen die over de stèle hadden gehoord, deden
moeite hem te verwerven.
Zoveel interesse maakte
de plaatselijke bevolking wantrouwig.
Zij besloten dat de steen waaraan zij magische
krachten toeschreven, niet in handen van de
vreemdelingen mocht vallen.
De steen werd daarom verhit; er ging koud water
overheen en door de plotselinge afkoeling barstte
hij uit elkaar.
Nu was hun steen veilig voor de roofzucht van de
westerlingen en konden de inwoners van Dhiban de
brokstukken voortaan als amulet gebruiken in hun
graanopslagplaatsen - de bijzondere kracht van de
steen zou de oogst beschermen, ook al lag hij nu
in stukken.
Bijna was deze zeer
belangrijke tekst op die manier voor altijd
verloren gegaan, ware het niet dat een
ambitieuze, jonge Fransman Charles
Clermont-Ganneau eerder papieren afdrukken van de
steen had laten maken.
Niet zonder risico voor zijn knecht, die de
afdruk maakte en daarmee de woede van de
bevolking op zijn hals haalde.
Clermont-Ganneau wist
bovendien ongeveer tweederde van de
oorspronkelijke steen - in fragmenten weliswaar -
in handen te krijgen door met goudstukken te
rinkelen.
De brokstukken kwamen via Jeruzalem in het Louvre
te Parijs terecht, waar de steen weer in elkaar
werd gezet en op grond van de afdrukken
aangevuld. Niet alles viel meer te reconstrueren,
omdat de afdruk het slotgedeelte niet had
meegenomen. Toch is de tekst voor het merendeel
zonder meer te lezen.
.
Zo is er,
dames, het verhaal uit Bemidbar,
In de Woestijn, hoofdstuk 5
Voor een man over wie de
geest van jaloersheid is ontbrand:
De priester zal de vervloekingen schrijven
op een rol en dan wegwissen in het bittere
gewijde water.
Dan laat hij de vrouw drinken, het bittere water
dat vloek brengt
Geschieden zal het als zij in ontrouw trouweloos
geweest is tegen haar man:
komen zullen in haar de vloekbrengende wateren
worden zal zij tot verwensing in de kring van
haar gemeenschap.
En als de vrouw zich niet besmet heeft, rein is
zij, ongedeerd blijft zij
naar boven
Zo is er,
heren, het verhaal uit Platos Phaedros waar
Socrates ons zegt:
ik kom niet onder het
gevoel vandaan, Phaedros, dat schrijven
bedroevend veel lijkt op schilderen; ook al
vertonen de creaties van de schilder een
verschijningsvorm van het reële leven, toch, zo
je daar vragen over stelt, bewaren ze een
zwaarwichtig zwijgen.
En hetzelfde kan je
zeggen over speechen.
Je zou toch denken dat ze schrander zijn,
maar wil je echt iets te weten komen en je stelt
één van de twee (de schilder of de spreker naar
gelang) een vraag, dan krijg je steevast het
zelfde antwoord: euh
Neen zou ik zo zeggen in
Phaedros plaats, de uiterlijke
verschijningsvormen die ons in de war brengen,
zijn de weerslag van de achterliggende
beweegredenen, eigen aan het privédomein, en
daarom niet minder waar, want essentiëel
voor het scheppen van kunst.
Schrift heeft namelijk
een tweesnijdend lemmet, enerzijds brengt het
de heilige waarheid die mensen in
haar greep wil houden en anderzijds stimuleert
zij het intellectuele avontuur die de wijsheid
met vreugde omarmt.
Zo heeft Geo het schrift
met vreugde omarmd en geeft elk van ons de kans
om in alle sereniteit op zoek te gaan naar de
eigen verhalen in een ruimte, ontdaan van hen die
ons doen buigen voor die ene mythe die zij
waarheid noemen.
Tot slot kan ik enkel het
woord laten aan de droom van de poëzie uit
Jacques Hamelinks werk:
diep
in het ongevensterde,
in de bewustzijnsspinde,
bij de tijdsteen,
ijsgekoeld,
ademt zich vrij, onbecijferbaar,
je zoveelste spraakgestalte.
Ik dank u

Xavier Couplet &
Daniel Heuchenne, Religions et Développement:
les religions et lécriture pp. 50-54;
K.A.D. Smelik, Neem een boekrol en schrijf: De
vondst pp.41-44
Pieter Oussoren, De Naardense Bijbel, Nu.5,11-31
Plato, Phaedrus:
http.//classics.mit.edu/Plato/phaedrus.html
Jacques Hamelink, De droom van de poëzie, Ons
Erfdeel Jrg. 40, 1997; digitale bibliotheek voor
de Nederlandse letteren
|